“Laat taalonderwijs geen los eilandje meer zijn in het curriculum”

“Laat taalonderwijs geen los eilandje meer zijn in het curriculum”
Nederland, Rotterdam, 23-05-2019. Museumpark locatie Hogeschool Rotterdam. Portretten voor e-zine Taal en Studiesucces. Marlon Ruwette © Foto: Erno Wientjens.

Marlon Ruwette is docent Nederlands op de pabo. In de WERKplaats Taal ontwierp ze een doorlopende leerlijn taalvaardigheid die al snel in het onderwijs ingepast kon worden, omdat de opleiding al bezig was met een curriculumvernieuwing. Het taalonderwijs dat Marlon voorstelde wordt extra effectief doordat het niet naast maar verweven met het vakonderwijs plaatsvindt.

Waarom heb je een nieuwe leerlijn ontworpen, was ander taalonderwijs nodig?
“Als je aan de pabo studeert, ben je naast student ook meester of juf in de dop. Je staat zelf voor de klas en gaat taal aan kinderen uitleggen, terwijl je tegelijkertijd zelf nog wat te leren hebt. Terwijl we het nieuwe curriculum voor de opleiding aan het ontwerpen waren – dat doen we eens per vier jaar – kwam naar voren dat we op het gebied van academisch schrijven, maar ook van uitleggen, vaak te veel van studenten verwachten. We nemen aan dat ze al veel verder zijn met lees- en presentatievaardigheid dan in werkelijkheid het geval is. Als je studenten niet goed opleidt in taal, mag je ze dan in een later stadium erop afrekenen dat – bijvoorbeeld – hun academische schrijfvaardigheid niet goed genoeg is?”

“Ik heb daarom voorgesteld om ten eerste het taalonderwijs in het curriculum uit te breiden van alleen in jaar 1 naar de hogere jaren. Daarnaast hebben we het taalonderwijs flankerend gemaakt aan het vakonderwijs. Zo combineren we nu direct al in jaar 1 academische schrijfvaardigheid en presentatievaardigheden met de ‘kennisbasis taal’ voor de pabo – de stof die we landelijk gezien verplicht zijn aan te bieden op de pabo. Studenten verwerven niet alleen vaardigheden voor wat ze hier op school moeten leren, ze leren die vaardigheden ook in te zetten bij wat ze in de praktijk (gaan) doen op de basisschool. Nu in de stages en later in de beroepspraktijk.”

Hoe ziet de nieuwe leerlijn er dan nu uit?
Tot aan het nieuwe curriculum waren er alleen in het eerste jaar lessen taalvaardigheid. Nu is er in jaar 1 en 2 aandacht voor zowel presenteren als formuleren, en voor schrijfvaardigheid zelfs nog in jaar 3. Direct in blok 1 presenteren de eerstejaars zich aan de groep door een introductie van zichzelf. In blok 2 koppelen we de presentatie die ze moeten geven aan de doelen die ze willen behalen in de kleutergroep. Bijvoorbeeld door het beantwoorden van vragen als ‘welke vragen stel je in een kringgesprek?’ of ‘hoe lees je een prentenboek voor aan kleuters? Wat laat je zien, welke woorden gebruik je?’ Daarmee werken studenten aan de taalvaardigheid van de kleuters, maar óók aan die van henzelf. Dat benadrukken we dan ook in de les: je doet het voor de kinderen en voor jezelf.

We toetsen sindsdien ook in grotere eenheden. Dat levert tijdwinst op in de zin dat je minder tijd kwijt bent aan toetsen, maar aan de andere kant mis je de kleinere toetsmomenten wel. Dat hebben we opgelost door wel oefenmomenten in te bouwen. Dat doen we bijvoorbeeld door feedback te geven op ingeleverde geschreven stukken – stukken waarvoor ze geen studiepunten krijgen – en hen die stukken opnieuw laten maken. Daar heb je meer aan dan als je alleen een cijfer zou krijgen maar niet weet wat je fout hebt gedaan.”

Jij hebt meegedaan met een taalexperiment van de WERKplaats Taal, wat heb je daaraan gehad?

“Ik zag in het meedoen aan de WERKplaats een mooie kans om de taallijn voor het nieuwe curriculum te ontwikkelen. Het stelde mij in staat om over de muren van de pabo heen te kijken: hoe doen andere opleidingen dat? Ik vond het opvallend om te zien dat we bij de pabo best veel ruimte hebben in het curriculum, bij andere opleidingen is dat veel minder het geval. We hebben daar dan ook optimaal gebruik van gemaakt.”

De taallijn was jouw idee, hoe neem je anderen daar in mee?

“We hebben het nieuwe curriculum sowieso gezamenlijk vormgegeven. Met de vakgroep taal heb ik mijn ideeën gedeeld en ik heb het ‘ontwerpdeel’ inmiddels overgedragen aan een collega, het is nooit helemaal ‘af’. Omdat het taalprogramma zo verankerd is in het curriculum is het nu gedeeld goed geworden in de vakgroep Taal. Het programma heeft inmiddels voor de tweede keer gedraaid en de resultaten zijn positief.”

Wat vinden studenten ervan?

“Omdat we de taallijn starten met de eerstejaars weten ze niet beter. Naar mijn gevoel ziet het er nu logischer uit. Zoals ik al aangaf is het mondelinge gedeelte direct gekoppeld aan wat studenten ook in de klas moeten laten zien als leerkracht. Ook het leren schrijven van een ‘academisch’ schrijfproduct hebben we naar voren getrokken, met het zoeken naar goede bronnen et cetera. Door corona hebben we moeten omschakelen naar andere vormen van onderwijs, inmiddels is er online zoveel lesgevend materiaal opengesteld door uitgeverijen dat het bijna open source lijkt. Daar kunnen we als docenten uit putten, maar onze studenten ook. Wat wel een beetje in het gedrang is gekomen is hoe vierdejaarsstudenten uiteindelijk geprofiteerd hebben van het nieuwe taalonderwijs dat we hebben aangeboden, zij volgen nog niet het nieuwe curriculum.”

Je hebt de leerlijn taal overgedragen aan een collega, wat doe je zelf nu?

“Ik ben bezig met mijn proefschrift over leesbevordering in groep 8. Er blijken grote verschillen te zijn in taalvaardigheid onder leerlingen van docenten die veel aan leesbevordering doen en docenten die dat niet doen. Leerkrachten die bijvoorbeeld veel meisjes in de klas hebben, doen ‘automatisch’ meer aan leesbevordering, zij bieden meer jeugdliteratuur aan, lezen voor in de klas en praten daar meer over, omdat meisjes altijd meer interesse hebben voor lezen dan jongens.

Maar hoe krijg je ook leerlingen aan het lezen die daar niet intrinsiek in geïnteresseerd zijn? Dat onderzoek ik en dat wil ik ook graag meegeven aan onze studenten op de pabo. Je hoeft maar weinig te doen om het leesvlammetje bij leerlingen aan te wakkeren. Boeken laten zien in de klas, een stuk voorlezen uit een spannend kinderboek, een bezoekje aan de bibliotheek – als dat weer mag. Dat schiet er vaak bij in omdat leerkrachten al zoveel andere dingen moeten doen – met de klas naar buiten als het mooi weer is, de ‘dag van…’ en dan aandacht besteden aan dat onderwerp… Maar dat lezen goed is voor de taalvaardigheid, dat wil ik graag uitdragen en zo mogelijk ook in het curriculum gaan verwerken.”

Wat kun je meegeven aan andere docenten op de hogeschool van wat je geleerd hebt bij jouw taalexperiment?

“Ik zou zeggen: probeer taalopdrachten functioneel te maken. Dat je taal meeneemt in een opdracht die studenten toch al moeten inleveren. Besteed ook aandacht aan de vaktaal die bij je beroep hoort, elk beroep kent zijn eigen jargon. Als taaldocent bij die opleiding zou je je kunnen verdiepen in dat jargon en dat een plek geven in de taallessen. Laat studenten zich die taal eigen maken door het te gebruiken in schrijfopdrachten, waar je vervolgens feedback op geeft en laat het hen dan herschrijven. De vakdocenten op de opleiding zouden aan de andere kant aandacht kunnen geven aan taal – in opdrachten wél die schrijffouten verbeteren bijvoorbeeld. Door je taalonderwijs flankerend te maken aan wat in andere vakken geleerd moet worden zijn taallessen geen losse eilandjes meer, maar lever je een totaalplaatje voor de student.”

 

5 0

Geef je reactie

Je emailadres zal niet zichtbaar zijn. Vereiste velden zijn gemarkeerd met een *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>

Lost Password

Please enter your username or email address. You will receive a link to create a new password via email.